Autisme en meisjes | SAAM Uitgeverij
autisme en meisjes

Autisme en meisjes

Autisme en meisjes blijkt een apart fenomeen. Dat komt omdat meisjes met autisme vaak een heel ander gedrag vertonen dan jongens. Zij zijn namelijk meester in het imiteren van sociaal wenselijk gedrag. Ze kopiëren die vaardigheden veelal van hun moeder. Daardoor zijn ze attenter dan jongens en ‘lijken’ ze rekening te houden met anderen.

Door dat sociaal wenselijk gedrag, vallen meisjes minder snel op in de klas. Maar zij maken het zichzelf wel erg moeilijk, ze lopen voortdurend op hun tenen om maar zo ‘normaal’ mogelijk te lijken. Eenmaal thuis zijn ze vaak erg lastig, klagen over hoofdpijn en buikpijn en slapen ze slecht.

Meestal vallen meisjes met autisme door de mand wanneer zij op de middelbare school zitten. De regelmaat van een vast lokaal, een vaste juf en bekende omgeving, worden vervangen door een beangstigende en onvoorspelbare wereld.

ASS-meisjes op de basisschool:

  • vallen niet zoveel op
  • vertonen vaak sociaal wenselijk gedrag
  • maskeren problemen waarna thuis de uitbarsting volgt
  • hebben soms extreme stemmingswisselingen
  • vaker vriendschap met kinderen die jonger zijn

ASS-meisjes op de middelbare school:

  • de problemen ontwikkelen zich vaak razendsnel vanaf de brugklas en leiden veelal tot thuis zitten
  • lopen vast in structuren
  • weten zich vaak geen houding te geven in pauzes
  • lopen meer kans om gepest te worden
  • geven vaak aan zich ‘anders’ te voelen

In het boek Kind & Autisme staan nog veel meer kenmerken van meisjes met autisme.

“Ik voel me zo rot mamma. Alles is zo veel, wanneer gaat het ophouden? Ik wil hier niet meer zijn, ik wil me niet meer zo eenzaam voelen… Laat me alsjeblieft gaan, mamma.”

Sociale vaardigheden

Een van de meest bekende kenmerken van autisme is het ‘ontbreken’ van sociale vaardigheden. Empathie is een ander woord voor inlevingsvermogen; de vaardigheid om je in te leven (te verplaatsen) in de gevoelens van anderen. Uit onderzoek blijkt dat kinderen met autisme zich niet kunnen inleven in de gedachten van anderen. Dat kwam naar voren uit onderzoek van Professor Uta Frith.

Sally en Anne zijn twee poppen die de hoofdrol spelen. Het doel van de test is om te onderzoeken in hoeverre kinderen zich in de gedachten van anderen kunnen verplaatsen. Aan het begin van de test bevinden Sally en Anne zich op een tafel waarop zich ook een knikker, een mandje met een afsluitend doekje en een doosje bevinden. Sally neemt het initiatief, pakt de knikker, legt deze in het mandje en sluit dit af met het doekje. Vervolgens verlaat ze het toneel. Als Sally weg is, haalt Anne de knikker uit het mandje, legt die in het doosje en sluit het doosje. Ook het doekje wordt weer over het mandje gelegd, zodat de inhoud niet te zien is. Als dit gebeurd is, keert Sally terug en wil de knikker weer pakken.

Op dit moment vraagt de onderzoeker aan het kind waar Sally de knikker gaat zoeken. De bedoeling is dat het kind zich verplaatst in de gedachtegang van Sally en dus het mandje als antwoord geeft, omdat Sally niet heeft kunnen zien dat Anne de knikker in het doosje heeft verstopt. Het kind heeft in dit geval dus inlevingsvermogen.

Uit de onderzoeken is gebleken dat de meeste kinderen van vier jaar nog vaak het doosje als antwoord geven (en zich dus niet in Sally kunnen verplaatsen), maar bij een aantal blijkt het inlevingsvermogen zich al ontwikkeld te hebben. Op zesjarige leeftijd blijken kinderen allemaal over het vermogen te beschikken. De resultaten bleken echter af te wijken voor kinderen met autisme. De test werd door Uta Frith uitgevoerd bij een groep elfjarige autistische kinderen (gemiddeld IQ 82) met als controlegroep een groep even oude kinderen met het syndroom van Down (gemiddeld IQ 64). De meeste kinderen uit de autistische groep bleken zich niet in het perspectief van Sally te kunnen verplaatsen en dachten dat zij in het doosje zou gaan zoeken. De Down-kinderen verwachtten echter in meerderheid dat Sally in het mandje zou gaan zoeken.

Maar betekent dit dat kinderen met autisme emoties van anderen niet kunnen begrijpen?

UIt onderzoek van ontwikkelingspsycholoog Carolien Rieffe en in samenwerking met het Centrum voor Autisme, blijkt dat kinderen en jongeren met ASS wel degelijk geraakt kunnen worden door gevoelens en verdriet van anderen. Alleen, zij weten niet hoe ze hiermee moeten omgaan. Door de emoties van anderen, raken zij namelijk snel overprikkeld. Dat kan leiden tot onaangepast gedrag, teruggetrokken en/of agressief gedrag.

Daarnaast is er nog een reden dat kinderen (en ook volwassenen) een beperkt inlevingsvermogen hebben. Zij hebben veel moeite om verband te leggen tussen oorzaak en gevolg. Bijvoorbeeld als een kind tegen een ander kind zegt dat hij dik is (gevolg van eerlijkheid niet van beperkt inleven) en het andere kind gaat huilen of wordt boos, begrijpt het kind met autisme niet dat het door zijn opmerking komt.

Eigen emoties begrijpen

Kinderen met autisme hebben vaak grote moeite met het ‘herkennen’ van hun eigen emoties, laat staan het benoemen daarvan. Daarom is het belangrijk dat kinderen eerst leren hoe ze met hun eigen emoties om kunnen gaan. Zolang ze dat niet kunnen blijft het aanleren van sociale vaardigheden erg lastig.

 

De volgende keer gaan we het hebben over opvoeden. Zijn kinderen met autisme onhandelbaar of is er iets aan te doen?

 

 

 

 

comments